‘Salih’ (goede) daden
Sâlih (rechtvaardige) daden zijn alle goede, rechtvaardige, heilzame en lonende daden die door de godsdienst worden bevolen of aanbevolen. Alle daden die een gelovige in overeenstemming met zijn geloof verricht, vallen onder de “goede daden”. Met andere woorden, “goede daden” zijn daden die de dienaar leiden naar het welbehagen van Allah (swt). Slechte daden zijn daden die verboden of afkeurenswaardig, verkeerd, schadelijk en zondig zijn.
Woorden als “heilzaam, goed, mooi”, die in de vertalingen worden gebruikt in plaats van het woord “goed”, voldoen vaak niet aan deze betekenis. Bijvoorbeeld, geld verdienen kan voordelig zijn voor een persoon, maar het is geen goede daad. Wanneer is het een goede daad? Het wordt een goede daad als het verbonden is met “geloof”. Zoals dikwijls wordt benadrukt in de Koranuitdrukking “Amenu wa amilus salihat”, vullen geloof en goede daden elkaar aan.
EENHEID VAN GELOOF EN DADEN
Geloof zonder daden en daden zonder geloof zijn beide onvolledig. Omdat de daden op zichzelf een criterium zijn dat de oprechtheid van het geloof bepaalt. Goede daden verrichten zonder geloof is van geen waarde. In de Heilige Koran worden de daden van de ongelovigen vergeleken met de fata morgana in de woestijn en de duisternis in de diepe zee (zie Nûr, 39-40). Nergens in de Heilige Koran worden daden zonder geloof genoemd. Tegelijkertijd wordt nergens in de Heilige Koran de hoop op beloning gegeven aan een ongelovige daad, ook al is die goed. (Zie Tafsir al-Qur’an, Commentaar op Soerah Asr)
Het verband tussen geloof en daden is een onderwerp dat door de theologische geleerden in de loop van de geschiedenis uitvoerig is besproken. Hoewel het niet noodzakelijk is voor niet-geleerden om deze discussies te kennen, is het voor iedere moslim nuttig om de fundamentele Aqaid-kwesties te kennen betreffende de relatie tussen daden en geloof. Imam-i Azam Hazretleri zegt het volgende over dit onderwerp: “Geloof is de bewering (met de tong) en de bevestiging (met het hart). Het geloof van de bewoners van hemel en aarde neemt niet toe of af in termen van wat geloofd moet worden, maar het neemt toe of af in termen van zekerheid en instemming (in termen van de sterkte of de zwakte van het geloof). Gelovigen zijn gelijk in geloof en tawhid, maar verschillend van elkaar in daden.” (Abu Hanifa, Fiqh al-Akbar, 19; Ibrahim Cücük, Ahl al-Sunnah ‘Itiqadah met bewijzen , blz. 608)
Imam al-Nasafi, een Hanafi geleerde van jurisprudentie, theologie en tafsir, zei: “Het geloof is de bevestiging met het hart en de bevestiging met de tong van wat de Profeet (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) van Allaah heeft gebracht. Wat de daden betreft, die kunnen toenemen. Het geloof daarentegen neemt niet toe of af.” (Nesefi’s Aqaidi, 24; Ibrahim Cücük, Ahl al-Sunnah ‘Itiqad met bewijzen, blz. 638)
Uit deze uiteenzettingen blijkt dat het geloof niet toeneemt of afneemt naar gelang van de dingen waarin men moet geloven. Echter, in een van zijn hadiths verklaarde de Profeet (sallallahu ‘alayhi wa sallam) dat het geloof moet worden opgefrist met dhikr: “Het geloof in de borstholte van een van jullie slijt na verloop van tijd, net zoals een kledingstuk slijt. Vraag Allah daarom om jullie geloof te vernieuwen.” (Al-Hakim, Al-Mustadrek, 1/4) Bij een andere gelegenheid zei de Profeet (vrede en zegeningen van Allaah zij met hem): “Herzie uw geloof”, zeiden de metgezellen van de metgezellen: “Hoe moeten wij ons geloof vernieuwen?” Hij antwoordde: “Zeg veel La ilahe illallah.”(Ahmad Bin Hanbal, 14/327)
VOORDELEN VAN GOEDE DADEN
Ongetwijfeld is het doel waarvoor de mens naar de wereld werd gezonden, beproeft te worden. De uitkomst van deze test wordt bepaald door geloof en goede daden. In feite heeft de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen van Allah zij met hem) gezegd: “Degene die geen rechtschapen daden verricht, zal door zijn nakomelingen niet worden overtroffen” (Muslim, Zikr, 38), waarmee wordt aangegeven dat deze test alleen met rechtschapen daden kan worden doorstaan. Uit het volgende vers blijkt ook dat het voornaamste doel van het menselijk bestaan is om goede daden te verrichten die Allah (swt) behagen: “Hij is het Die de dood en het leven heeft geschapen om u te beproeven wie van u beter is in de daden. Hij is de Verhevene, de Vergevensgezinde.” (Al-Mulk, 2)
Allah Almachtig zei: “Gelukkig zijn zij die geloven en goede daden verrichten! Hoe schoon is hun eindbestemming!” (Ra’d, 29), waarmee hij de rechtvaardigen het goede nieuws van het paradijs verkondigt. In een ander vers wordt gezegd: “Zij die hun geloof met goede daden opsieren, worden geëerd als de beste der schepselen en aangekondigd met de tuinen van Adn: “Zij die geloven en goede daden verrichten zijn de beste der schepselen. Hun beloning bij hun Heer zijn de tuinen van Adn, waar doorheen rivieren stromen en waarin zij voor eeuwig en altijd zullen vertoeven. Allah is tevreden met hen en zij zijn tevreden met Hem. Dit is de beloning van hen die hun Heer met eerbied en ontzag vrezen” (Bayyine, 7-8).
Een van de mooiste gunsten die aan de rechtschapen dienaren worden verleend, is het vermogen om het leven waar te nemen en het op de juiste wijze te begrijpen. Omdat zij het leven bekijken vanuit het raam van de liefde, kunnen zij erin slagen alles mooi te zien. Allah Almachtig zei: “Voor degenen die geloven en goede daden verrichten, zal Allah, de Barmhartige, liefde in hun harten scheppen” (Maryam, 96). Zoals een islamitische geleerde het formuleerde: wie mooi ziet, denkt mooi en geniet van zijn leven. Zij die hun leven doorbrengen met het zoeken naar doornen zien alles slecht en interpreteren alles slecht.
Lees ook: De kortste weg om jezelf te beschermen van haram








