De jeugd is de meest waardevolle fase van het menselijk leven. Het is de lente van het bestaan: een periode waarin de krachten fris zijn, het hart openstaat, de geest ontvankelijk is en de mens nog niet wordt afgeremd door vermoeidheid of teleurstelling. In deze levensfase kijkt een jongere zowel naar het verleden om te leren, als naar de toekomst om te bouwen. De fundamenten van het latere leven worden in deze jaren gelegd.
Zoals de toekomst van een individu afhankelijk is van zijn jeugd, zo rust ook de kracht, stabiliteit en richting van een samenleving op haar jongeren. Daarom zijn de ogen van volkeren, leiders en bewegingen door de geschiedenis heen altijd op de jeugd gericht geweest. Zij vormt een kostbare bron: wie het goede wil verspreiden, investeert in de jeugd; wie kwaad wil veroorzaken, probeert eveneens via de jeugd invloed te krijgen.[1]
De aandacht van de Profeet Mohammed (vzmh) voor jongeren
De Boodschapper van Allah (vzmh) gaf tijdens zijn boodschap grote aandacht aan jongeren. Hij stond zelfs niet toe dat in oorlogstijd de jonge mensen van de vijand gedood werden. Toen Ahmad ibn Hanbal zijn vader vroeg waarom, antwoordde hij:
“Ouderen treden bijna niet tot de islam toe. Jongeren daarentegen omarmen de islam en staan dichter bij haar dan de ouderen.”[2]
Ook in de vroege islamitische geschiedenis zien we dat de eerste gelovigen voornamelijk jongeren waren. Zij konden de last van verandering dragen, hun denken aanpassen en hun hart openen voor een nieuwe waarheid. Op hogere leeftijd wordt de mens vaak gehecht aan zijn overtuigingen; gewoontes worden zwaarder dan inzichten.
Zelfs de profeet Zakariyyā (a.s.) vreesde, in zijn ouderdom, dat er geen jonge opvolger zou zijn om het geloof te dragen. Hij smeekte Allah om een zoon:
“…die mijn erfgenaam zal zijn in geloof, kennis en wijsheid.”[3][4]
Tegelijkertijd hebben machten van het kwaad altijd geprobeerd de energie en de zuiverheid van jongeren te misbruiken voor destructieve doelen. De jeugd is altijd een terrein geweest waarop zowel licht als duisternis strijdt.
Een onschatbare schat
De jeugd is een kostbare gave die Allah (swt) schenkt om zowel de toekomst van deze wereld als die van het Hiernamaals mee te verdienen. De meest vruchtbare tijd moet worden besteed aan de belangrijkste zaken. Het eeuwige leven kan niet uitgesteld worden tot ouderdom; het moet worden opgebouwd in de periode waarin de mens het meest krachtig en het meest ontvankelijk is.
Wie rijkdom in deze wereld wil vergaren, werkt zonder ophouden. Wie rijk wil zijn in het Hiernamaals, dient met minstens zoveel inspanning te werken aan zijn geloof, karakter en daden.
Het idee dat jongeren “eerst moeten genieten van het leven” en dat geloof pas later komt, is een misleiding. Het leidt jongeren naar een moeras van begeerten, zodat hun ziel verzwakt en hun toekomst uitgehold raakt. Een jeugd die besteed wordt aan het najagen van lusten wordt armoede in beide werelden.
De jeugd is juist de tijd om halal rijkdom, zuiver geloof en edele overtuigingen te verwerven—die het hele leven kleur geven en het Hiernamaals voorbereiden.
Daarbij mag men nooit vertrouwen op kracht en vitaliteit. De dood kent geen leeftijd. Er vertrekken meer kinderen dan jongeren, en meer jongeren dan ouderen. Elke mens is oud genoeg om te sterven, want de dood komt onaangekondigd.[5]
De jeugd die de geschiedenis vormgeeft
Wanneer we de geschiedenis bekijken, zien we dat grote bewegingen en vernieuwingen werden gedragen door jongeren. Ibn ‘Abbās (r.a.) zei:
“Allah heeft elke profeet als jongeman gezonden, en een geleerde verwerft zijn kennis in zijn jeugd.”[6]
Als bewijs hiervan reciteerde hij het vers waarin de tijdgenoten van Ibrāhīm (a.s.) zeggen:
“Wij hoorden een jongeman, Abraham genaamd, over deze dingen spreken.”[7]
Ook in de islamitische beschaving zien we dat veroveringen, ontdekkingen en hervormingen vaak werden uitgevoerd door jonge mensen met futuwwa — een geest van moed, zelfopoffering en edele moraal. Groepen zoals gāziyān-ı Rûm, ahiyān, abdalān en anderen waren jong, zuiver en gedreven.
Futuwwa werd door geleerden beschreven als:
“Het verspreiden van vriendelijkheid en vrijgevigheid, het vermijden van kwaad, het vasthouden aan halal, het hebben van een goed karakter en het niet pronken met successen.”[8]
De jeugd: een test voor de ouderen
De jeugd is niet alleen een bron van kracht, maar ook een periode van beproevingen. Het is een tijd van lichamelijke, geestelijke en emotionele verandering. Jongeren zoeken hun identiteit, voelen zich soms onbegrepen, en proberen zichzelf te bewijzen. Daarom moet deze fase goed begeleid worden.
De Qur’an beschrijft jongeren zelfs als een beproeving voor ouderen.[9] Ouderen dragen dus een grote verantwoordelijkheid. Zij moeten jongeren onderwijzen, begeleiden en beschermen. De toekomst van de religie, de samenleving en de staat hangt hiervan af.
Het nalaten van deze verantwoordelijkheid zal op de Dag des Oordeels zwaar wegen. De Qur’an schildert hoe ouders op die dag zullen wegvluchten van hun eigen kinderen, uit angst voor rekenschap.[10]
De kracht van de jeugd, de wijsheid van de ouderen
Jongeren beschikken over energie, creativiteit en moed; ouderen over ervaring en inzicht. Wanneer deze twee krachten worden samengebracht, ontstaat er een gemeenschap die zowel sterk als wijs is.
Mawlānā Rūmī zegt:
“Ouderen zien meer in een stuk steen dan jongeren in een spiegel.”
De jongeren dienen de ervaring van ouderen te respecteren en niet te denken dat zij “het toch niet begrijpen”. Ouderen moeten op hun beurt jongeren vertrouwen, hen ruimte geven en niet denken dat “zij het toch niet kunnen”.
Umar (r.a.) betrok bewust jongeren in zijn consultaties. Hij luisterde naar hun frisse blik en hun scherpe observaties, zodat wijsheid en energie elkaar versterkten.[11]
De Qur’an over jongeren
De Qur’an al-kerīm noemt vele positieve voorbeelden van jongeren. Zij worden beschreven met eigenschappen als:
-
alīm – deskundig, kennisrijk[12]
-
zekî – scherpzinnig en intelligent[13]
-
halîm – zachtaardig, geduldig en evenwichtig[14]
De Qur’an laat met deze portretten zien hoe moslimjongeren zouden moeten zijn: zuiver van hart, verfijnd van moraal, gevoed met kennis, helder van verstand, kalm in karakter en stevig in geloof.
Verder vertelt de Qur’an over:
-
de jeugd van Adam, Ibrahim, Yusuf, Yahyā en Isa (a.s.)
-
de dochters van Shu‘ayb (a.s.)
-
Maryam (r.a.)
-
Asiya (r.a.)
-
en de Ashāb al-Kahf, de jonge mannen die opkwamen tegen shirk en een eeuwenlang teken voor de mensheid werden.
Deze verhalen vormen spiegels voor iedere generatie.
Moge Allah (swt) onze jongeren maken tot dragers van geloof, kennis en wijsheid; tot bronnen van hoop voor de toekomst; en moge Hij de ouderen inspireren hen met liefde, geduld en inzicht te begeleiden.
[1] el-Bakara 2/49; el-A‘râf 7/127; İbrâhîm 14/6; el-Kasas 28/4; el-Mü’min 40/25; el-Mümtehıne 60/12; Nûh 71/12; el-Müddessir 74/13.
[2] Ahmed b. Hanbel, Müsned, V, 13; Ebû Dâvûd, Cihâd, 119/2670; Tirmizî, Siyer, 29/1583.
[3] Meryem 19/5.
[4] Taberî, XV, 457-459.
[5] Birgivî Vasiyetnâmesi Kadızâde Şerhi, İstanbul: Bedir yay., 2009, s. 186.
[6] el-Enbiyâ 21/60.
[7] İbn Kesîr, Tefsîr, thk. Sâmî b. Muhammed Sellâme, Dâru’t-Taybe, 1420, V, 349.
[8] Nesefî, Medârik, II, 288 (el-Kehf 18/13).
[9] el-Enfâl 8/28; et-Tevbe 9/55, 85.
[10] Abese 80/34-36.
[11] Beyhakî, es-Sünenü’l-Kübrâ, X, 113.
[12] el-Hıcr 15/53; ez-Zâriyât 51/28.
[13] Meryem 19/19.
[14] Sâffât 37/101.








