De cirkel sloot zich langzaam rond Mekka. De eerste moslims leefden in een verstikkende sfeer van vervolging; de straten waren gevuld met onrecht. Onderdrukte gelovigen zoals Yāsir (ra) en Sumayyah (ra) werden met brute wreedheid gedood. Sumayyah (ra) zou de geschiedenis binnengaan als de eerste vrouwelijke martelaar — een symbool van standvastigheid in een wereld die zuchtte onder tirannie.
Jonge mannen zoals ʿUmar (ra), die weigerden gebogen te leven, botsten openlijk met de Quraysh. Huizen van moslims werden geplunderd, bezittingen geconfisqueerd. Een duistere elite wilde de jonge gemeenschap uitwissen. In hun redenering bestond er geen recht op leven voor wie geloofde in de Eenheid van Allah.
Mohammed (vzmh) moest zwijgen, dachten zij, of worden vernietigd.
Maar hij zweeg niet. En hij vluchtte niet. Hij bleef de woorden van Allah reciteren — woorden die de fundamenten van hun onderdrukking openbraken.
Hij bood een deur naar licht, naar vrijheid, naar menselijkheid… en die deur kon niet meer worden gesloten.
Slaven zoals Bilāl (ra), Zinnīrah (ra), Abū Fukayhah (ra) en ʿĀmir ibn Fuhayrah (ra) omarmden de Islam — en daarmee hun waardigheid. Elke keer dat een onderdrukte stem “lā ilāha illā Allāh” fluisterde, beefde de tirannie.
En wat kregen zij ervoor terug? Marteling. Dorst. Keten en zweep.
Maar hun harten stonden niet meer in ketenen.
De emigratie begint
In deze donkere periode gaf Mohammed (vzmh) zijn metgezellen toestemming te vertrekken. Sommigen gingen naar Abessinië; anderen naar Yathrib — het latere Madīnah. Mekka liep leeg; de stad hield haar adem in.
Hoewel elke profeet een moment van emigratie kent, gebeurt deze nooit zonder goddelijke toestemming. En toen, op een dag die in het geheugen van de hemel gegrift staat, kwam de toestemming.
De Profeet (vzmh) sloop naar het huis van Abū Bakr (ra) en fluisterde:
“Abū Bakr… de Hijrah is gekomen.”
Zijn vriend, die hem nooit had verlaten, vroeg met trilling in zijn stem:
“O Boodschapper van Allah… ben ik jouw reisgenoot?”
Hij antwoordde: “Ja, jij bent mijn metgezel.”
De Profeet (vzmh) verzamelde vervolgens alle kostbaarheden die Mekkanen hem in bewaring hadden gegeven — goud, zilver en edelstenen — en gaf ze aan ʿAlī (ra) om terug te brengen.
Ironisch en pijnlijk tegelijk:
Zij vertrouwden hem met hun rijkdom, terwijl zij een dolk tegen zijn keel smeedden.
Maar ze wisten dat Mohammed (vzmh) nooit een vertrouwen zou schenden. Zelfs niet van zijn vijanden.
De grot en de bescherming van Allah
De Profeet (vzmh) verliet Mekka op een maandag, vergezeld door Abū Bakr (ra). Ze verborgen zich drie dagen in de grot van Thawr. Mekka stond op zijn kop; jagers, soldaten en premiejagers struinden de woestijn af. Zelfs tot aan de ingang van de grot kwamen zij.
Maar Allah wilde hen niet laten vinden.
De Profeet (vzmh) zei tegen zijn angstige metgezel:
“Wees niet bedroefd. Allah is met ons.”
(Qur’ān 9:40)
Na drie dagen huurden zij de betrouwbare — maar nog niet gelovige — gids ʿAbdullāh ibn Urayqiṭ, en vertrokken richting Madīnah.
Onderweg kwamen zij langs de tent van Umm Maʿbad, een vrouw die leefde tussen armoede en hoop. De Profeet (vzmh) vroeg om melk; zij zei dat haar schaap droog stond. Hij legde zijn gezegende hand op het dier en zei:
“Bismi Allāh, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle.”
Het schaap vulde haar uier met overvloed. De melk stroomde, genoeg voor tientallen mensen. Umm Maʿbad keek verbijsterd toe, Abū Bakr (ra) glimlachte breed.
Deze tent werd later een rustplaats voor talloze emigranten — een oase van verhalen en herinneringen.
De achtervolger die een volgeling werd
De Quraysh plaatsten een beloning van honderd kamelen op het hoofd van de Profeet (vzmh). Onder de vele jagers bevond zich Surāqah ibn Mālik — een meesterlijke krijger. Hij naderde snel, het stof achter hem opwaaiend.
Toen de Profeet (vzmh) hem zag, zei hij rustig tegen Abū Bakr (ra):
“Kijk voor je en ga voort.”
Maar toen Surāqah hen wilde bereiken, begon het zand zijn paard te verslinden.
In doodsangst riep hij:
“O Mohammed (vzmh), ik smeek je! Bid dat Allah mij redt, ik zweer dat ik zal terugkeren en zeggen dat ik jullie nooit gezien heb!”
De Profeet (vzmh) deed een smeekbede — en het zand liet hem los.
Surāqah keerde terug als een beschermende stem, niet als vijand. Jaren later zou hij moslim worden en sterven als gelovige.
De aankomst in Madīnah — een nieuw begin
Op een maandag — dezelfde dag waarop hij was geboren en waarop hij zou sterven — bereikte de Profeet (vzmh) Madīnah.
De bewoners stonden langs de wegen, vol verlangen en liefde. Kleine meisjes riepen:
“Wij houden van jou, o Boodschapper van Allah!”
Hij antwoordde:
“Bij Allah, ik houd ook van jullie.”
De stemmen van de stad stegen op in het lied dat tot vandaag weerklinkt:
Ṭalaʿa al-badru ʿalaynā
De volle maan is over ons opgegaan.
Betekenis van de Hijrah
De Hijrah is geen vlucht.
Het is een mars van bevrijding,
een verplaatsing van licht,
een overgang van onderdrukking naar gemeenschap.
De Hijrah maakte van Mekkaanse vervolging een wereldwijde beweging.
Het veranderde geloof in een beschaving.
Het bracht het hart van de Profeet (vzmh) van bergen naar steden — van isolatie naar opbouw.
Later werd deze gebeurtenis door ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb (ra) vastgesteld als het begin van de islamitische kalender. Want de Hijrah markeert het begin van onze beschaving, van onze gemeenschap, van onze gezamenlijke reis.
Slot
Moge vrede en zegeningen rusten op de grootste Muhājir in de geschiedenis — Mohammed (vzmh).
Moge zijn Hijrah ook in ons hart plaatsvinden:
van duisternis naar licht,
van angst naar vertrouwen,
van stilstand naar beweging op het pad van Allah.










